Rinske's werk
Rinske's werk
In mijn hoofd dool je, als die jongen van de eerste keer.
In mijn hart school je
even,
soms,
zo nu en dan.
In mijn ziel etste je onzekere liefde
Ik sloot je op door van je te houden.
Je had altijd een zaag bij je.
In de lakens, die je net als je leugens,
aan elkaar knoopte
is je zaad en onze toekomst opgedroogd
en hard geworden.
Onomwonden, wreedwarm, laat mijn dekbed mij niet gaan.
Rondom mijn teentoppen sluipt een indringer,
een kille lucht doet mij oprollen als een pissebed.
Het vuur dat ik heb ingeslikt moet ik naar buiten dragen.
Het uur der vroege waarheid is al opgestaan en heeft ontbeten.
Dan kraait het laminaat gelijk een oude haan.
Mijn lichaam is vandaag heel functioneel als thermosfles voor sterke koffie.
Zaklampogen schijnen naar me,
ben niet hol
straal terug
je raakt verblind.
Er is een uitrekbaar magnetisch veld ontstaan.
Aan je lippen hangen losse velletjes.
Ik wil je zeggen dat je me moet kussen
dan komt het bloed erin terug.
De laarzen keer ik om voor het geval er beestjes in zitten. Daarna trek ik ze aan.
De vaalblauwe canvas boodschappentas met de leren hengsels stop ik in mijn fietstas. De meeste kinderen uit mijn klas hebben geen fietstassen.
De thermoskan zit er in en de kruimelige zelfgebakken boterhammen met
oude kaas voor mijn vader. Ik moet een emmer bessen plukken zegt ze. De
emmer zit in mijn andere fietstas. Zuchtend trap ik op de pedalen, door
de Kerkstraat, de van Heemstraweg op, naar het landje, het volkstuinen
complex waar mijn vader aan het werk is. Het landje is rechts achterin
en ik moet over een zanderige grindweg fietsen.
Hij begroet me, zoals altijd, uitbundig. Ik blijf aan de rand van de tuin staan. ‘Hier’ zeg ik.
Ik steek de tas naar voren. Hij pakt hem niet aan. Mijn vader zeg: ‘ik
werk nog even door’. Dat zegt hij meestal. De tas laat ik bij mijn
fiets staan. Ik slof de tuin in met de emmer.
Ik pak uit de houten kist, het campingkrukje. De stof is bordeauxrood.
Er is maar één campingkrukje. Gelukkig ben ik alleen. Als mijn zusjes
erbij zijn maken we ruzie wie erop mag zitten als we bessen moeten
plukken. Ik buk me om het net omhoog te schuiven dat over de
bessenstruiken ligt . Ik wring me tussen de bessenstruiken. De bladeren
sluiten zich boven mijn hoofd. Ik ruk wild de rode trotse trosjes van
de takken. Mijn moeder zal gaan mopperen over de vele bladeren die
erbij zitten. Met een korte plok vallen ze op de bodem. Tot deze bedekt
is. Ik denk dat mijn moeder gaat zeggen dat ik de emmer thuis moet
ritsen. Dat doe ik met een vork boven de ijzeren vergiet aan de
tuintafel achter het huis. Misschien gaat mijn moeder ze ritsen.
Misschien moeten mijn zusjes ritsen. Rode bessen plukken is beter dan
kruisbessen plukken.
Mijn vader roept: ‘Kom er even bij zitten, er zit ook sap in de tas’.
Ik zeg ’Nee’.
Ik pluk door. Ondertussen fantaseer ik dat dit groene onderkomen mijn
huis is. Dat ik hier woon, omringd door takken en bladeren en bessen.
Dan eet ik elke dag rode besjes met suiker in dit huis. Het is een
wirwar van struiken die eindeloos door gaat. Een ruimte gevuld met
groen en bruine aarde als tapijt. Er is niets anders dan ik op mijn
krukje tussen de bessen op het landje waar wij van eten. Op mijn
vingers zitten rode vlekken. Ik steek een trosje in mijn mond, rits het
af met mijn tanden. Ik voel dat mijn mond kleiner wordt. Mijn tong en
verhemelte worden ruw, mijn tanden voelen stroef. Mijn mond is er niet
aan gewend.
Mijn vader drinkt koffie en eet zijn boterhammen. Ik weet dat hij
hoorbaar slikt maar ik zit in de struiken. Ik pluk door, als ik zou
willen stoppen kan dat niet. De emmer moet vol. Ik ben kampioen
bessenplukken. Ik zou liever een ander soort kampioen zijn.
Wist je dat dit gedicht voor jou is,
voor jou en voor alle zachte haartjes op je armen,
die altijd omhoog gaan staan als ik iets liefs zeg, zoals dit.
Wist je dat dit gedicht jouw gehoorgang in wordt getrild, dat je het zal verstaan, dat je hart vervuld zal worden en je hersenen een signaal zullen zenden naar de spieren van je mondhoeken.
Wist je dat ik jou nu verzamel in dit gedicht, je zojuist ontstane verse glimlach, je liefdeszweet, je vuile sokken en dat ene vlekje op je huid..
Nu weet je dat het echt voor jou is.
Zonder liefde maar met iets dat erop lijkt,
komt jouw naam vanzelf op de schemer van deze droeve ochtend te liggen.
Het groene licht door de doek voor het raam beloofd niets.
Ik roep je hardop en doe alsof ik slaap.
Naast me draait een ander zich ergerlijk smakkend om.
Dat ik je heb verzonnen als mijn geliefde vind je nog niet het ergste
maar dat ik je zo perfect heb verzonnen dat ik er zelf bij verbleek
daar wordt je ongemakkelijk van
dus ik verzin snel iets lelijks en onaangenaams
zoals haar op je billen en liefde voor voetbal.
Kus me door alle muren heen kus me door rioolbuizen en andere kanten van de wereld heen kus me door barrieres en frontlinies heen kus me door mijn naderende bejaardheid heen door zwangerschappen heen
Smeer secondelijm op je lippen en kus me een tel
als je in de trein zit dan is het landschap een verlangen
waar je geen deel van uitmaakt.
Een korenveld is magisch geel, je rent erdoor als kind.
Ergens tussen zitten,
oude kaas en alfalfa beklemd tussen twee helften broodje.
Niet wetend wat ik dan ben.
Naar honderduizenden stellen gekeken,
aanrakingen, liefkozingen.
Dat missen. Raponzel, Doornroosje, Assepoester.
Elk sprookje dat goed afloopt dan.
Je ademt nu ook dezelfde lucht,
misschien regent het niet bij jou.
Zit er een kooi om je vlinders of heb je ze op spelden geprikt?
Niemand ziet hoe gelukkig we zouden kunnen zijn.
Je onderlip is lief.
Hij steekt nѐt iets te ver vooruit.
Dat lijkt je tong te doen
waardoor je woorden iets slisserigs krijgen.
Je lijkt op iemand die thuis voelde.
Ik doe mijn best te horen wat je zegt, want ik ben in functie
maar ik functioneer niet, ik functioneer voor geen meter,
ik ben stuk
kapot
ik doe het niet meer
als een ruisende radio,
maak me weer heel.
Ik glip na de les in je mouw,
in je nek wil ik liggen met mijn lippen.
Was dat vroeger ook zo?
Dat ze beelden vertraagden op televisie
en herhaalden voor het tragische effect?
Dat ze honderden keren een kind lieten zien
dat huilde en hoe een man gereanimeerd werd.
Er zijn geen antwoorden. Het zijn geen vragen.
De wereld is donker en minder oranje.
’S-Middags op haar werk zit er een lief briefje in haar tas
Hij heeft er genoeg aan er naar te kijken
hoe ze een boek leest op de bank
Op zondagochtend liggen er beschuitkruimels in het bed
De sokken naast de wasmand neemt ze voor je lief
en wat ze wil zeggen weet hij al voor er woorden zijn
Als je stil, klein, onredelijk mag zijn soms
Als de woorden van dit gedicht nog lang niet alles zeggen
Dan heb je een hypotheek op een hart
die je nooit hoeft af te betalen.
Geschreven voor de huwelijksdienst van Janneke en Sander op
17 april 2009
De oren van de een lijken verbonden met één lange gehoorgang
als de ander spreekt.
Als de een praat doet het pijn in de lucht die er hangt,
druppels van verdriet condenseren aan het plafond.
De een zit in het bloed van de ander,
of de ander dat wil of niet.
De een lucht zijn hart.
Dat wil de ander niet.
Dat wil de ander wel.
In de tuin gaan zitten. Eindelijk de p.c uitgezet omdat het aan haar knaagt, elke avond achter de computer. Toch steeds weer haar e-mail checken, kijken of er berichtjes zijn op het forum en die hopeloze datingsite.
Nu in de tuin. De bladeren van de pompoenplant nemen een groot deel van de kleine langwerpige tuin in beslag. Er zitten al tomaten aan de tomatenplanten. Ze glanzen rood en ze smaken zilt, zoet en vlezig. ‘ Had ik maar iemand om van te houden’ klinkt een schoffiesstemmtje in haar hoofd.
De dummy ligt op tafel. Vandaag moet het maar eens beginnen, schrijven aan dat verhaal.
Verlangen ligt als een handvol kronkelende warme wormen in haar buikholte.
Het tuinhek is hoop. Ze staart er naar.
Het gaat open en hij zou daar staan. Ze hoorde zijn griebelige lachje en hij zou zeggen: ‘ heb je bier’.
Ze zou verstijven, haar hart overslaan in een ritme dat hyperventilatie opwekte. Haar lach te groot voor haar gezicht, haar kaken zouden pijn doen. Stamelen. ‘Wat doe je hier, hoe kan….hè…..hoe is het …….’
Hij zou lachend op haar aflopen zijn wijsvinger op haar lippen leggen. Haar beetpakken. Een hand tussen haar schouders een arm om haar middel. Haar handen legden zich boven zijn kleine billen. Zo zouden ze een uur staan, haar lippen tegen zijn hals.. Ze zou ruiken, ruiken en ruiken.
‘ Heb je bier’.
‘ Nee, wel jägermeister’
‘ Gatver’.
‘ Ik loop wel naar de snackbar’.
Hij zou haar bij de schouders pakken, in haar ogen kijken en hoofdschuddend zeggen: ‘Eindelijk’. Ze zou iets in haar keel omhoog voelen wellen. Een dikker wordende vla die haar adem vaspakte, haar hart te groot maakte zodat er warm zout water uit haar traanbuisjes omhoog kwam wellen. Ze slikte en haalde haar neus zo onopvallend mogelijk op.
Hij had altijd al in haar gezeten. Voor hun eerste ontmoeting, in de zesde klas van de lagere school,wist ze al dat hij bestond. Ze kende zijn witblauwe huid, de stugge bruingoude krullen, zijn grijsgroene ogen waarin hun zielen elkaar ontmoetten. Nu was hij er weer. In haar huiskamer die nu een functieloze wachtkamer was. Ze wilde los. Vast. Los.
‘ Er is niemand meer nu, behalve jij en ik’. Ze zag zijn scherpe, haast doorschijnend witte hoektanden glimmen, de losse schilfervelletjes op zijn onderlip. Ze bracht haar lippen naar de zijne en toen vlogen de kastdeuren van haar salonkast open. Drie strijkplankvormige meisjes met zwarte bobpruikjes zwiepten tegelijkertijd hun rechter genaaldhakte been in de lucht, terwijl ze elkaar ruggelings bij de taille vasthielden. Ze droegen alleen een trosje van drie bananen voor hun kutjes. Ze bewogen hun stralend rode lippenstiftmondjes, er klonk geen geluid. Benen werden weer naar beneden gezwiept en de dames verdwenen terug in de kast waar ze niet in pasten.
Als een standbeeld stond ze. Weer dat hart vol adrenaline. Ze dacht aan de prille identieke borstjes met de pronte naakte tepels van de ponymeisjes. Ze keek in zijn guitig lachende ogen.
Hij zei: ‘ er staat kersenvlaai in de koelkast, net als toen’. Het was waar. Er stonden twee vochtige schoteltjes met kersenvlaai en een vorkje ernaast. Hij pakte ze beide en liep ermee naar de bank. Gebaarde met een hoofdknik dat ze moest gaan zitten en ze liet zich vallen. De bak was doornat en koud. Terwijl ze weer wilde opveren gaf hij haar beide bordjes en ze slonk terug. Hij ging ook zitten. Hij lachtte kirrend. ‘ Boeien’ zei hij.
Ze aten in stilte. Ze zag een beetje kersengelei in zijn mondhoek en ze wilde het aflikken. Ze at door. Voelde hoe de nattigeheid haar broek en shortje in bezit nam en wilde opstaan.
Hij keek hoe radeloos ze at en lachte weer. Haalde een lok uit haar gezicht en stond op.
Zijn kontje was donkerder dan de rest van zijn broek. Hij zette een c.d. op. ‘ Kiss’ van Prince denderde door de ruimte. Hij bleef midden in de kamer staan en keek naar haar.
Ze voelde de dikke kersengelei tegen haar verhemelte plakken. Hij knipoogde.
‘ Jij en ik zijn het enige dat telt’.
Hij liep naar de koelkast haalde er een flesje bier uit, opende het met een aansteker en liep de tuin in.
Door het hek. Ze hoorde niets meer.
Ze liep hem achterna. Het hek klapte achter haar dicht. Er was niemand. Ze liep terug. Ze bleef heen en weer lopen. Huis in, koelkast open, salonkast open, weer terug, hek door , tuin in, huis in, huis uit, koelkast open.
Chopin in de c.d.speler.
In de spiegel kijken en kijken. Zat er nou iets paarskleurigs in haar mondhoek?
Ze zit nog in de tuin , kijkt tevreden in de volgeschreven dummy op tafel. Voelt zich leeg en trots. De pompoenen zijn groot, hard en diep oranje.
Het zou ’s-ochtends voor mijn deur liggen. Dan geloofde ik mijn ogen niet.
Een oude afgedankte circusolifant.
Een ballon aan het pluimpje.
Er was waarschijnlijk een hele rol kadolint aan op gegaan.
Het zou een slagtand missen. Aan de ander zat dan een briefje geprikt.
Ik zou het lezen en nooit meer slapen.
Eva
Weer zag ik haar door mijn raam in in haar joggingbroek die net iets te laag zat. Ik zag het kuiltje naar haar billen en een streep van vijf centimeter bleekroze huid. Ze zag er altijd uit alsof het zondag was. Een zondag waarop je niks te doen had, je opstond tegen de middag en laat in de avond weer in bed ging liggen in hetzelfde ondergoed. Ze woont niet alleen aan de overkant. Er woont nog een meisje. Een meisje met gitzwarte haren die me aan Sneeuwitje doen denken. Dit meisje zegt schoorvoetend gedag als ik haar groet. Ze kijkt meestal naar de grond.
Eens kwamen haar ouders (althans ik denk dat het de ouders van Sneeuwitje zijn)
met een terracottakip voor in de tuin en haar vader complimenteerde met mijn driejarige dochtertje door te zeggen: ‘mooi spul hè’.
Maar dat meisje. Ze heet Eva en studeert iets dat ik al weer vergeten ben. Ik denk psychologie maar ik hoop aardrijkskunde. Haar ogen lijken nog jonger dan die van mijn dochter. Ze glansen vochtig. Er lijkt onschuld in te wonen.
Ze belde aan laatst. Ze keek vertederd naar mijn kind die de deur had opengedaan. Ze vroeg om een scartkabel. Ik dacht eerst dat ze een startkabel bedoelde en zei dat ik geen auto had. Ze begon nu uit te leggen wat een scartkabel was. Ik stotterde alleen maar en wist pas later wat ze bedoelde. Ik zei dat ik er geen had en trok er een quasi onschuldig gezicht bij. Ergens begon me iets te dagen dat ik door haar verschijning niets meer wist, maar eigenlijk wel wist wat ze bedoelde. Ik nam me voor toen ik de deur dicht deed haar later nog eens te vragen of ze er ergens anders een had kunnen lenen.
Ik vroeg en vraag me veel af over haar.
Ze vertelde eens, op een zomerdag, dat ze vriendinnen was met het andere meisje en benadrukte dat ze absoluut niet samen woonden. Het leek of ze wilde zeggen dat ze het niet vond kunnen dat je samen woonde met een vriendin. Of wilde ze vertellen dat ze geen relatie hadden? Ergens leek het me ook een gesloten meisje, evenals haar vriendin. Alsof ze Jehova’s getuige waren. Daarom verbaasde me het ook dat ze er zo bloot uit zag steeds in haar joggingbroeken en blote hemdjes. Toch was ze door haar huppelige verschijning juist niet bezig met verleidelijk te zijn.
Waren het twee studentes die gewoon samen woonden? Woonden ze eigenlijk wel samen?
Ze was wel vaak en ik heb ook eens een grote auto gezien waaruit dingen geladen werden die zij naar binnen sjouwde. Ondanks dat we overburen waren leek het alsof ik naar een absurdistische film keek die ik zelf moest invullen.
Op een dag belt ze opnieuw aan. Ze heeft een grote tas in naar hand. Ze zegt: ‘We hebben ruzie, mijn vriendin en ik. Mijn ouders wonen in Bulgarije, ik heb niemand om naar toe te gaan. Mag ik, tot ik iets anders heb, misschien bij jullie logeren?’
Ik kijk naar haar en slik alsof ik een opgefrommelde binnekant van een wc-rol moet doorslikken. Over haar oogbollen ligt een ziltige golf die bijna lijkt te overspoelen en zij slikt ook hoorbaar. Ik zeg: Kom eerst maar eens binnen voor een kopje thee. Ze kijkt nu naar de grond, doet haar schoenen uit. Ik bied haar slofjes aan.
Mijn dochter komt met een boek van Barbapa aangelopen. Ze gaat op de bank zitten en leest voor, in haar joggingbroek. Het is geen modieuze joggingbroek. Ik zet thee. Geef haar een mok en ze vraagt of ik suiker heb. Ik geef haar de pot en een lepeltje. Ze doet er een schepje in en leest verder . Ik drentel rond, ga aan tafel zitten met de krant die ik al lang uit heb. Ik bekijk haar nu van achteren. Ze heeft lang melkboerenhondenhaar. Er worden nog meer boekjes gelezen. Ik vraag of ze mee wil eten. Ze knikt. Ze lust alles, zegt ze.
Ik lust ook alles, denk ik.
Briefjes en letters schrijven
-de goden verzoeken-
terugkrijgen en wachten
De horizon wordt er niet mooier op
en door de tijd van het jaar
kan de vertraging oplopen.
Ik klim in een dal.
Het wordt pas mooier
als ik, achteropzittend, mijn handen
onder je jas mag schuiven.
We zijn gewoon boerenvolk.
We spannen andere paardjes voor onze pietluttige karretjes.
We kijken een gegeven paard niet in de bek.
Dan zeggen we ‘dank je wel hoor’ en
geven dat kado later aan iemand anders.
We weten niet dat lavas een kruid is.
We nemen pindakaas en curry mee op vakantie.
Vanochtend werden de deuren van de huizen in mijn wijk
in regenboogkleuren geschilderd.
Een vrouw met dreadlocks legde mozaïek op mijn drempel.
De geur van vers brood tongzoende mijn neus
en er speelde een hele dikke man, slechts gekleed in een bananenrokje,
doedelzak..
Natuurlijk wreef ik in mijn ogen.
Ik zoek iets behaagelijks.
Zoiets als een plaid
of een strijkende vrouw om naar te kijken.
Noem me wispelturig
Noem me zo
Noem me zo
Dan kan ik mijn huis veranderen,
mijn aard mijn aard laten,
de pukkels op je rug uitknijpen
en als je dan kwaad wordt
wanneer mij dat uitkomt.
Ik zag vele aantrekkelijke hoofden. Ik had zin om ze te kussen.
Om van boven naar beneden te likken, om in haren te graaien, om lief te zijn.
Ik wist niet meer waar de gekleurde zinnen waren om te versieren
en de veelbetekenende blikken had ik ook niet bij me.
Het is of hij vastgeplakt is op steeds dezelfde stoel,
dezelfde plaats en tijd. Immer die meesmuilende grijns.
Ik wens dat de lelijk glimmende kroonluchter boven hem neerstort.
Dat zijn dikke caféhond dan dakloos zou worden.
Dan waren we ook van die luchter af.
Het is fijn een hoofd te hebben dat zulke dingen denken kan.
De ramen zijn beslagen van hun gehijg in de herfst.
Hun dromen zweven nevelig, vochtig en witpaars naar het plafond.
Zij doen niet aan regenbogen en beloftes.
Enkel wat verongelijkt gezucht, sigarettenlucht en warmte.
De lucht steekt egaal blauw af tegen de oranje arbeidersdakpannen.
Hier woon ik niet. Mijn hoofd woont al in Oost.
Het overschot aan lelijke struiken in betegelde tuintjes,
stickers op de kliko’s, wanhopig kijkende tuinkabouters,
kinderen die lelijk praten
en steeds weer opdrogende hondenpoep voeden mijn verlangen.
Ogen als brandmerken.
Het schroeit op mijn netvlies.
Het schrijnt in mijn schede.
Er is nevel, mist en andere onduidelijkheid.
Kom terug, stugge krullen.
Niet lullen maar beuken, vrijen, neuken
De regen is paars, de dag vol lege verwachting.
De slaap lokt me naar bed, het schapendekebed wacht.
De belofte zoeken in Maastricht, de liefde voelen trillen in mijn stuitje.
Dat wil ik.
Dat is het hem juist.
Ik lik wat suiker uit een dode hoek.
Ik drink thee uit een koffiekopje.
Ik knuffel de lamlendigheid.
Ballast
Vergeef jezelf die vieze handen aan je kinderlijf
Begraaf je minzame moeder, ga met pa naar de kroeg.
Speel niet met liefde.
Stap in de luchtballon en gooi de hartenlozen overboord,.
Hoor met een grote glimlach hun miezerig geschreeuw.
Dan verdwijnt de langerekte nee in mij als ik je zie.
De mais groeit maar steeds.
Een wazige bruingoude waas erboven van sliertjes.
Dat zie je goed vanuit de dubbeldekstrein.
We renden door het doolhof toen ons hoofd er nog niet boven uit stak
en vreesden de boer. Magische mais.
Zou het er weleens in willen doen.
Tarwekorrels knappen lang niet zo sappig als mais.
Ik wil vandaag
een vrouw zijn met blond haar,
een suikerspin van haarlak.
Zo lelijk,
zo lelijk.
En varkensroze gestifte lippen
en een opgeperste borstpartij
en een blauwe laag plamuur op mijn ogen.
Zo lelijk,
zo lelijk.
Met naaldhakken en blaren.
Zo lelijk
dat het mooi is.
Én een legging.
De Hoogstraat is een mijnenveld,
een slagveld waar stalen rossen
tossen met onwetende toeristen.
Om een rijbaan, om vrijbaan
voor het symbool van de stad
op twee wielen
Dat ik zat hoog boven de houten tafel
en een vliegtuig hoorde.
Niet wist wat het was
dat ik bang was
en men zag dat ik bang was
zei dat het maar een vliegtuig was.
Ik wist niet wat dat was
en huilde in de rode kinderstoel.
Later pas.
De dageraad van avondlente
valt somber in mijn slaap.
Mijn zieke lijf wil niets.
Mijn zieke geest wil biertjes zuipen,
witte biertjes
op een terras met klinkende stemmen
en het nét niet koud hebben.
Het is een potje van glas
waar jam in was
en heet op de kop stond.
De geur van kokende bessen
of pruttelende bramen,
de zoete smaak
op de koude lepel van metaal,
het zuur in de keel
dat brandde en roodzoet was.
De baklucht van de broden waar hij in knipte.
De zondagse soep met lettervermicelli
waar we woorden mee maakten
op de rand van het nette servies
en maggi erbij.
Er was altijd etenslucht
in het middelste huis van het rijtje.
Het is een potje van glas.
Je leunt met je rechterlijf
tegen de deurpost van je flat,
derde verdieping,
weet niet waarop je wacht.
Het trappenhuis van beton
heeft mijn adem in borst gepompt
en ik weet dat je er staat.
Ik kan alleen naar boven kijken,
hoofd in de nek,
lopen.
Het liefst zou ik,
net op het moment
dat je me aan gaat kijken,
een vallend steentje zijn.
Draag op dat moment die witte coltrui met kabels
en hou op met dat zenuwachtige geschuifel.
Er lag wat bloed op het studentkamerkleed,
het moest een keer gebeuren.
We vonden elkaar uit. Het werd langzaam ervaring.
Je draaide me in poses die ik daarna niet meer herkende.
We deden het overal waar je zin had. Ik had geen zin.
Jij muggenbulten.
Het had geen zin.
Er zijn nu kinderen en exen.
Doe dan maar je excuses voor het gesloopte ongemak.
Arrogantie is je goed recht
en niks vragen idem dito
Het ontbrekende, verlangende moment van aarzelend elkaars hand zoeken, mond vinden.
Mijn gedichten gaan niet over jou.
Over chocola misschien, nooit over jou
Ze zijn zo vluchtig en interpretabel als de woorden die ik inslik.
Vandaag schijnt de zon.
Op zondag ben ik bij maandag en hoe het woensdag moet.
Ik ben hier
in mijn tuin
in mijn zon
bij de schommel
schrijf ik over de chaos in de biobak die op mijn hoofd lijkt.
Om goede verkeerde koffie op het Koningsplein,
Een drummend punkmeisje van 10, een gelukkig stel junks, een fout popkoor
en jongetjes die hun orkestdweilende vaders imiteren met blauwe speelgoedtrompetjes.
Ik sla de beelden op in mijn camera en hoofd
Thuis maak ik aspergesoep
drink Rivella
laat de lente binnen.
De schaamte voor je schaamteloosheid.
Jaloers op je naïviteit.
Bij jou geen gemene slangen onder het gras.
Er druipt dramatische glittersubstantie van je verbitterde bleke wangen
Terwijl je praat worden je tanden bruiner, lippen bleker, dunner
Je kleren hoeriger
Persiflage van jezelf
Clwonesk personage
Goed in het uitkotsen van hysterische oneliners.
Als je belt neem ik alleen op met opgeladen accu.
zeg ik vaak ja ja ja.
Jij zuigt zonder het te weten.
Hoe kan ik ooit gewetenloos je kop afhakken.
Ik weet niet waar ik geweest was als ik jou niet had gekend. Echt niet. Want jij zweeft ergens in het universum, in mijn geest, je bent aanwezig in mijn dromen. Dan bedrijven we telkens de ware liefde. Je maakt mijn dagelijks leven dragelijk en onmogelijk.
Je draagt de juiste kleren, heb die knik in je lach, die griebel in je stem die ik zo kan afdraaien steeds weer. Ik weet hoe blank je hoektanden glimmen en zie de groengele waterpoliepjes op je brede tong. Je stugge donkere krullen, bruin en ook goud. Hard.
Je hele familie is mooi. Mooi. Alle potientiele geliefdes verglijk ik immer met jou. Jij hebt waarschijnlijk een leven, je passies, een kind of meerdere en een geliefde.
Het maakt niet uit. Jouw lichaam is mijn verlangen, meer nog je hart en ziel. Je hoofd wil ik in mijn handen nemen en herkennen, thuiskomen in je armen. Gedragen worden over elke drempel. Maar niet nu.
Het bestaat niet. Mijn uitstellende levenstijl verwacht je niet, mijn armen zijn nog niet open, net als de jouwe dat niet zijn. Straks als ik mijn rollator heb geparkeerd schuifel je onverwacht naar binnen, je grijze krullen zijn langer geworden, je hebt inhammen. Maar je grijsgroene ogen haken zich glinsteren glimlachend in de mijne je laat je giechellachje horen en fluistert: ‘Jij en ik, de laatste der Mohikanen’.
Damestaal spreken kan ik niet.
Loop gewoon vrouw te zijn,
besta niet zonder man te zijn.
De rook in iemands gezicht blazen, boeren laten
en over wijven praten alsof het madeliefjes zijn
wat niet klopt.
Mijn rondingen plegen toch verraad.
Hond
Je ademt mij niet. Je mist me, zeg je.
Ik mis jou niet. Want je laat je zo kennen.
Als een hond in het asiel.
Ik haal je er niet uit
want ik hou niet van honden.
Ze zijn slaafs en dus onbetrouwbaar.
Ze snuffelen ongevraagd in mijn kruis.